Paul Van Leeuwenkamp Uitgeverij De Graal
Het labyrint van Gust van Brussel, een dooltocht naar een mooiere wereld
 
Buiten tijd en ruimte, een andere mierenhoop


"Het ruimteschip was op de akker geland. Zo aanstonds vertrokken zij onder Benoni's leiding naar een andere wereld… 'We landen op Mars,' zei Benoni. 'Frank, zal je daar tevreden zijn? Jij droomt toch altijd van andere werelden.'"
Wie is opgegroeid in een nieuwbouwwijk zal dit gevoel van avontuur, zoals dat in Het labyrint door Frank wordt verwoord, wel herkennen. Wie jong was rond de tweede wereldoorlog, in de tijd waarin de natuurwetenschappen zich steeds sneller ontwikkelden, waarin na Jules Verne vooral H.G. Wells die ontwikkeling tot onderwerp van verhalen maakte, hoeft het niet te verbazen dat dat gevoel van avontuur vertaald wordt in beelden uit die sciencefiction. In dat opzicht zullen de jeugdherinneringen van Frank uit Het labyrint Gust van Brussel eigen zijn geweest. Uiteraard werd Van Brussel door die ontwikkeling in wetenschap en literatuur beïnvloed en alleen al gezien zijn thematiek, de verkenning van de mogelijkheden en onmogelijkheden van een menselijk Utopia, lijkt het terugkijkend onvermijdelijk dan hij een sciencefictionroman zou schrijven. Literaire sciencefiction is immers uitermate geschikt voor een sociaal betrokken intellectueel. Het genre geeft ook al ruimte aan het beeldende, poëtische schrijverschap van Van Brussel, in wiens werk sciencefictionbeelden al eerder een plaats hadden gekregen, vooral Het labyrint, waarin robots het "Hybernetisch Tijperk" dreigden in te luiden. Beelden die de moderne mens werden opgedrongen door de ontwikkelingen en die auteurs als MacLuhan en Koestler bezighielden, auteurs die Van Brussel kende en bewonderde.
Dat Van Brussel met De Ring een sciencefictionroman schreef, hoeft dus niet te verbazen, evenmin als het feit dat hij dat deed zonder vooropgezette bedoelingen. Zoals Van Brussel het later in een interview zelf zou verwoorden: "Je schrijft niet in een bepaald genre omdat het je interessant lijkt. Je doet het omdat het je enige manier is om je hart en je geest te laten spreken." Het vloeide haast als vanzelfsprekend voort uit zijn eigen en eigenzinnige schrijverschap. Van Brussel kende het genre ook en noemde later naast H.G. Wells vooral het poëtische werk van het Franse echtpaar Nathalie en Charles Henneberg, die vooral in de jaren zestig succesvol waren en in vele talen werden vertaald maar inmiddels ten onrechte vergeten zijn, als voorbeelden.
Al even eigen aan Van Brussels schrijverschap lijken de lotgevallen van het manuscript.
Voor de oorlog waren er in navolging van H.G. Wells en Karel Capek wel enkele sciencefictionromans in het Nederlands verschenen, waaronder "Het verstoorde mierennest" van Kees van Bruggen en "De aarde splijt" van Maurits Dekker misschien wel de bekendste waren, maar dat golfje was al voorbij en voor sciencefiction was geen plaats, ook niet in Vlaanderen, ook niet in het fonds van Manteau. Zo werd bijvoorbeeld het werk van Hugo Raes in die tijd al wel door de sciencefiction beinvloedt, maar had hij de stap naar échte sciencefiction nog niet gemaakt.
Van Brussel gaf de tekst aan een huisvriend, de filosoof Wildiers, en via hem kwam het bij het Boekengilde De Clauwaert, dat onder andere werk van Ernest Claes, Gerard Walschap, Herman De Coninck en Johan Daisne bracht. Het was een initiatief van een aantal Vlaamse auteurs waaronder Maria Rosseels om een Vlaamse uitgeverij met spankracht tot stand te brengen, enigszins vergelijkbaar met het ontstaan van De Bezige Bij in Nederland. Daar lag het manuscript een jaar in de la, tot professor Wildiers het opnieuw onder da aandacht van de redactie bracht. Ze accepteerden het en vroegen meteen om een nieuw manuscript. Omdat ze De ring wilde uitgeven, ging Van Brussel op dat verzoek in en stuurde Cassandra en de kalebas, dat uiteindelijk nog eerder werd uitgegeven. Maar in 1969 verscheen dan eindelijk De ring en het werd het grootste succes tot op dat moment voor Van Brussel, die met zijn eerdere romans nog niet echt was doorgebroken, al hadden ze de aandacht van de kritiek had getrokken.

Deze keer zocht Van Brussel het beloofde land niet in het heden, maar in een fictieve menselijke mierenhoop, die hij aan het eind van de roman nadrukkelijk buiten de tijd plaatst:
"Alles is hypothese. De rechtvaardigheid zowel als de fotonenraket. Misschien gebeurde de geschiedenis van de ring reeds drie miljoen jaar geleden… Misschien overleefden enkele groepen grijze mensen, gehard in de foltering van het leven, het kataklisme. Misschien ontstond het menstype der superieuren opnieuw uit hen en hebben zij zonder er de zin van te kennen de vreemde gebaren en symbolen van het vergane Gondwana en Laurasia voortgeleerd. Misschien zijn de wonderlijke liederen over vergane rijken, gevleugelde goden die mysterieuze krachten beheersten, niet zó dwaas… Misschien gebeurt het drama echter pas over enkele honderdduizenden jaren en hebben wij nog net de tijd om aan de redding van de mens te denken."
Toch zullen de meeste lezers het ervaren als een toekomstbeeld, zoals ook Van Brussel zelf de roman aanvankelijk ervaarde. De visioenen van Jacques Weiniger samengebald tot één groots visioen, het visioen van Gust van Brussel. Niet over afzonderlijke individuen, al treden er wel personages persoonlijker op de voorgrond, maar over de hele mensheid, net als in Laatste en eerste mensen van Olaf Stapledon, een andere klassieker uit de sciencefiction. De utopie van de wetenschap en de techniek die ons in de jaren vijftig en zestig werd voorgehouden.
De maan is door menselijk toedoen uiteengebarsten tot een dodelijke gordel van rotsblokken die steeds dichterbij komt, een "donkere partij arduin en metaalerts enkele tienduizenden kilometers boven hen. Gereed om een agglomeratie honderdmaal groter dan Porfyrion te verwoesten. De aarde open te scheuren. Alle leven te vernietigen. Iedere kiem. Iedere cel. Iedere geest." (blz. 83) Om zich tegen deze dreiging te beschermen heeft de mens zich claustrofobisch teruggetrokken in torensteden, die zich gedeeltelijk ondergronds bevinden. Een uitbeelding van de übermensch en de üntermensch, zoals H.G. Wells dat eerder in "De tijdmachine" deed. Maar de wereld van Van Brussel is aanzienlijk complexer. Er is een kolonie op Venus waar de meest talentvollen veiligheid hebben gezocht, een poging om het overleven van de mensheid te garanderen die uiteindelijk slechts een nieuwe dreiging heeft opgeleverd, namelijk die van een andere maatschappelijke ordening, een horizontale, en de andere mentaliteit die daaruit voortvloeit. Bovendien hebben zich er mutaties voorgedaan, waardoor een nieuw soort mensen is ontstaan. Verder weg is er een planeet bij Alpha Centauri, waar ook mensen wonen waarmee na oorlogen een gespannen vrede heerst. Er worden radiosignalen ontvangen vanuit de Andromedanevel. Maar ondanks al deze technologische vooruitgang is de wereld van Van Brussel weinig utopisch, want ook op dat troosteloze toneel blijkt de mens niet in staat eensgezind een betere wereld te creëren. De beter gesitueerden houden zich nog altijd bezig met hun eigen belangen en besteden het merendeel van hun tijd aan politieke spelletjes. De massa wordt koest gehouden met grote manifestaties waarbij de twee continenten elkaar binnen de arena bestrijden, gelijkend op de gladiatorenspelen uit het oude Rome. Daarnaast is er een subtiel systeem voor het beïnvloeden van de publieke opinie. Natuurlijk volgt het onvermijdelijke: revolte, steeds verdergaande verzuiling en uiteindelijk de oorlogen die leiden tot de vernietiging van de Aarde.
Daarmee vormt de dystopie van Van Brussel ook een spiegel waarin de tekortkomingen van onze tijd worden uitvergroot en die uitgangspunt is voor sociale, politieke, onderwijskundige en religieuze overwegingen, waaronder kritiek op de steeds verdergaande specialisatie in het onderwijs. Het belangrijkste waar Van Brussel zich tegen keert is het machtsmisbruik, dat ieder mens ingeboren lijkt, en het misbruiken van de rechterlijke macht die daar altijd weer uit voortvloeit. Dat de uiteindelijke vernietiging begint bij één van de jaarlijkse manifestaties geeft vooral een oordeel over de mens, over het primaire aspect dat in dergelijke wedstrijden tot uitdrukking wordt gebracht en waar Van Brussel zich steeds opnieuw tegen keert: "Het is hem nog steeds niet gelukt de geest in zich te isoleren en de zin der dingen te ontdekken onder de oppervlakte van de fysische werkelijkheid. Hij vecht om macht, om de wellust en organizeert zich in reusachtige kudden. In zijn prachtige klederen en zijn ingenieuze bijenkorf blijft het mensdier dat schrale, schuwe, bloeddorstige wezen dat in de grotten naakt te wachten zat op de komst van het licht." (blz. 166) En wanneer van daaruit de gebeurtenissen verder escaleren, gedragen de machthebbers zich als wereldvreemde gladiatoren in hun eigen politieke arena, niet bezig met het lot van de planeet en zijn bevolking, maar slechts met hun eigen 'wedstrijd', blind voor het gevaar van de ring om de planeet. De ontwikkeling wordt door Van Brussel des te triester gemaakt doordat de ring, geheel buiten de intriges en manipulaties van de machthebbers om, de uiteindelijke ondergang inluidt: wanneer een van de brokstukken op de Aarde neerstort wordt dat als een aanval van de tegenstander beschouwd en wordt automatisch de tegenaanval ingezet. En terwijl de machtigen hun onderlinge strijd voeren, vervallen de massa's machteloos tot waanzin. En de ondergang voltrekt zich buiten iedereen om, als een cijfermatige natuurwet, als een objectief oordeel over de mens, niet over wat hij is of presteert, maar over zijn tekort, over wat hij niét presteert.
Met de woorden van een van zijn personages, de schrijver Ellender, stelt Van Brussel: "De kinderen der mensen moesten eerst en vooral weer kinderen van de aarde worden. Zij moesten weer de tekens leren kennen waarin de dingen zich uitdrukten en de eenheid zien tussen teken en geest." (blz. 168) Daarna geeft Van Brussel zelfs de aanzet voor een nieuwe taal.
Deze samenvatting doet de complexiteit van de roman tekort. Zoals een recensent in 'Wij' constateerde: "De stof voor dit verhaal is zo uitgebreid, dat zij wel aanleiding had kunnen geven tot drie of vier romans."

De ring trok volop de aandacht. Paul Hardy, bij de eerdere boeken van Van Brussel kritisch, begon zijn bespreking met "INDRUKKWEKKEND". Hij stelde dat in De ring "inderdaad een schrijver aan het woord [is] met een bijwijlen adembenemend vertellerstalent" en dat in deze roman "de wazigheid van zijn vroegere geschriften volkomen zoek" is. "Gust van Brussel droomt op grond van technische - misschien erg betwistbare - hypothesen, maar hij droomt daaraan voorbij omdat hij de angst van de dichter kent, die wellicht niet de angst is van de technicus. Zijn inleving in deze 'unheimliche' wereld van zijn rijke verbeelding is van een bewonderenswaardige compleetheid… Men heeft inderdaad bij voortduring de indruk of ons van reeds gebeurde dingen een bezield en goed gedocumenteerd relaas wordt geschonken." Bepaalde fragmenten vindt hij "magistraal beschreven". Zelfs recensenten die niet tot sciencefiction werden aangetrokken zoals Gaston Durnez, weet De ring enthousiast te maken, getuige niet alleen de positieve bespreking in Het Volk, maar ook door het lange interview, waarin hij onder andere stelt dat "je na een moeilijke start in de greep bent gekomen van een vreemde, beklemmende atmosfeer." Een van zijn eindoordelen stelt dat "wat overblijft, is die beklemming, die angst om het onbegrip en de onmacht van een door mekaar wriemelende massa mensen, die blinde mieren die àlles kunnen behalve leven." In dat interview benadrukte Van Brussel zijn opvatting dat de mens "fundamenteel de primair uit de grotten is gebleven en hij met een ongelooflijke hardnekkigheid alle macht in zijn eigen voordeel gaat aanwenden. Het is als een kortsluiting, een totaal op zichzelf gericht zijn: een magische ring die hij niet kan doorbreken. Een negativisme dat hem barbaars doet vernietigen of verfijnd verknoeien, naargelang zijn 'culturele standing.'"
De ring wordt unaniem beoordeeld als sciencefiction "van ongewoon gehalte" (Het goede boek) en het enige punt van kritiek is "dat de mensen te schetsmatig getekend zijn en te weinig leven." (Wij), dat "de bedreigde mens, zelf niet (dramatisch) genoeg aan zijn trekken" komt ('t Pallieterke).
Een waardering die zich niet beperkte tot de literaire kringen maar zich ook uitstrekte tot het SF-fandom, dat De ring op het eerste Belgische SF-Congres in 1970 bekroonde, én tot de wetenschap. In Dietsche Warande schreef prof. Dr. Marcel Janssens er namelijk zeer lovend over en wees er op "dat het boek geen vrijblijvend spel van de verbeelding is, maar een angstwekkend visioen van een apocalyps als voortdurend dreigende immanente straf voor een collectieve schuld."

De ring wordt algemeen aangeduid als de eerste literaire sciencefictionroman in Vlaanderen. Van Brussel zelf vindt die aanduiding niet juist en spreekt liever over een sociaal-futuristische roman, waarin hij een wereld gestructureerd tot in zijn verste consequenties probeert weer te geven. Voor een Plymouth Belvedere zag hij als een "satire… waarin de leegte van de pseudo-artistieke wereld te zien is, die qua mentaliteit de jeugd inspireert." Van daaruit dacht hij door en trachtte met De ring "in de toekomst te lezen. Ik meende een wereld te zien, die wel over een fantastische structuur beschikt maar die een enorme chaos in het hart draagt. De mens vernietigt zichzelf. Dat is waar in de wereld van vandaag, net als in die van gisteren en morgen." Vanuit die opvatting wilde Van Brussel een groots werk schrijven, volgens de opvatting van Tacitus, als een kroniceur die "nuchter alles observeert en de beoordeling aan de lezer laat." Omdat niet alleen geleerden maar ook schrijvers "de mensen moeten wijzen op hun waanzinnige wedloop met de dood."
Maar marketing vraagt nu eenmaal om makkelijk te herkennen labels en tot op de dag van vandaag draagt De ring de aanduiding sciencefiction met zich mee.
deel 4...    deel 6...


© Uitgeverij De Graal 2008