Paul Van Leeuwenkamp Uitgeverij De Graal
Het labyrint van Gust van Brussel, een dooltocht naar een mooiere wereld
 
Van Brussel is van Antwerpen


Dat Van Brussel in zijn omstandigheden Łberhaupt schreef, en dan ook nog met zo'n hardnekkigheid, toont dat schrijven niet zomaar een bezigheid voor hem was. Het zat hem in het bloed. Dat roept de vraag op hoe het schrijven in zijn bloed terecht is gekomen en hoe de omstandigheden die daarvoor hebben gezorgd, de vorm van zijn werk hebben bepaald. Van Brussel werd op 12 september 1924 in de middenstad van Antwerpen geboren, een jaar na een oudere zus. In 1926 en 1927 volgden nog twee broers. In 1928 verhuisde het gezin naar een zijgangetje van de Congresstraat, een afgesloten rijtje huisjes met tuintje. De ouders van Van Brussel waren, ieder op eigen wijze, intelligente en ontwikkelde mensen. Zijn moeder, de dochter van een gegoede koopman in Brugge, voltooide een opleiding als lerares, in het begin van de 20ste eeuw een opmerkelijke prestatie voor een vrouw. Zij was een zeer godsvruchtige vrouw. Haar gedachten werden overheerst door een alomtegenwoordige God, door engelen en duivels, en zij had een diepe angst voor alles wat met de dood te maken had. Zijn vader compenseerde zijn lagere school ruimschoots door zijn intelligentie en brede belangstelling. In plaats van zijn oudere broer had hij in de Eerste Wereldoorlog vier jaar in de loopgraven doorgebracht en daarna werd hij in Antwerpen politieagent, een beroep dat aansloot bij zijn sociale geaardheid: hij was betrokken bij verschillende verenigingen, als stichter of als drijvende kracht, en veel mensen deden een beroep op hem voor goede raad of het schrijven van brieven, gebeurtenissen waarbij hij zijn kinderen naar het keukentje bracht en ze opdroeg rustig te zijn. De sfeer in het gezin Van Brussel werd bepaald door de godsvrucht en doodsangst van moeder en het oorlogsverleden en de sociale betrokkenheid van vader. Het was geen luchthartige sfeer. Zo hoorde Van Brussel pas in de Congresstraat, drie jaar oud, voor het eerst zingen, en dat je zomaar zinnetjes kon zingen en dat dat leuk klonk, maakte grote indruk op hem. Temeer omdat woorden en zinnen toen al een grote waarde voor hem hadden. Als peuter werd Van Brussel geregeld rondgereden in een dubbele kinderwagen. Vanuit die positie had hij voortdurend zicht op de ontwikkeling van zijn een jaar oudere zus. Hij zag en hoorde hoe zijn moeder haar leerde praten en worstelde om de natuurlijke achterstand die hij op haar had in te halen. In zichzelf oefende hij de woordjes die zijn moeder zijn zus probeerde te leren en uiteindelijk verraste hij iedereen door als eerste woordje niet 'vader' of 'moeder' te zeggen, maar 'geranium'. Van Brussel was niet alleen een intelligent en gevoelig kind, hij had ook een grote visuele ontvankelijkheid, getuige ook de beelden uit zijn allervroegste jeugd die hij zich nog altijd voor ogen kan halen - een kamer met geraniums op de vensterbak, de pui van het huis waar ze woonden. Het is dan ook niet verrassend dat Van Brussel in zijn latere leven behalve schrijver ook schilder zou worden. Behalve dat het belang van woorden als noodzakelijk communicatiemiddel diep in zijn wezen werd verankerd, werd hij ook sterk beÔnvloed door de beelden uit zijn vroegste jeugd. Toen een oude man in de Congresstraat overleed, werd zijn moeders doodsangst op Van Brussel geprojecteerd, indrukwekkend geconcretiseerd in de doodskoets, de paarden en de zwarte bekleding. Zijn vaders sociale betrokkenheid lijkt mede bepalend voor de geŽngageerdheid die van Brussel vanaf zijn eerste boeken tentoon spreidde. Van Brussel was een introvert, zwijgzaam kind, dat bovendien nog wat ziekelijk was. Dat ergerde zijn daadkrachtige en sociaal ingestelde vader, die zijn oudste zoon wat afkeurend Willem de Zwijger noemde en die zijn aandacht veel meer richtte op de energiekere en fysiek sterkere jongere broer. De oorlogsheld uit de Eerste Wereldoorlog, die aan die oorlog een chronische bronchitis had overgehouden waardoor fysieke prestatie voor hem nog belangrijker leken te zijn geworden, die held werd voor Van Brussel de maat der dingen, degene wiens goedkeuring van grootste betekenis was. Het bracht van Brussel tot voetballen, waarbij hij zich onder het toeziend oog van zijn vader een waardige zoon probeerde te tonen door te scoren. Hij kon daarbij zů hard rennen, dat het de aandacht trok van de atletiekvereniging, waar hij op uitnodiging lid van werd. Bovendien versterkte het zijn taalgerichtheid, want als tegenwicht voor zijn teruggetrokken geaardheid leerde zijn moeder, de lerares die huisvrouw was geworden, hem al zeer jong schrijven. Daarmee werd hem ook het belang van schrijven haast met de paplepel ingegoten. In plaats van de luchthartigheid van de krekel kende gezin Van Brussel de serieuze arbeidzaamheid van de mier. Het leven was een serieuze aangelegenheid, geen lolletje, en dat werd de jonge Van Brussel op zesjarige leeftijd nog eens danig ingewreven: in 1929 werden zijn beide ouders in het ziekenhuis opgenomen met longpest, de papegaaienziekte. Zijn broers en zus gingen naar ooms en tantes, alleen Gust ging naar een weeshuis, opnieuw het buitenbeentje. In een later interview zou hij daarover zeggen: "ik wist opeens niet meer in welke wereld ik leefde. Ik voelde me 'vermist'; kon mezelf niet meer thuis-brengen." Het is begrijpelijk en voorspelbaar dat dit verzet opriep. Hij werd onhandelbaar en werd uiteindelijk opgevangen door zijn grootouders in Brugge. In 1930, toen de ouders weer uit het ziekenhuis waren, verhuisde het gezin naar de nieuwe Antwerpse tuinwijk De Luchtbal, gebouwd op grote hoeveelheden opgespoten zand, dat door grote buizen van elders werd aangevoerd. Zo'n wijk waar nieuwe gebouwen naast tijdelijke barakken staan. Het gezin van Brussel vond er een ruimer en comfortabeler huis, en hoopte dat de buitenlucht goed zou zijn voor de bronchitis van vader. Gust doorliep er de lagere school, waarop hij alle zes de jaren de beste van de klas was. Een leraar die zong en schilderde veroverde een belangrijke plaats in het leven van de jeugdige Van Brussel, werd naast zijn eigen vader een voorbeeld, en door deze leraar vervolgde het lot van de taal, dat van Brussel blijkbaar was toebedeeld, zijn weg: het was die leraar die Van Brussel stimuleerde om verhaaltjes te schrijven. Zo rond zijn tiende schreef hij zoveel bladzijden van een schriftje vol, dat hij meende een boek te hebben gemaakt. Dat Van Brussel behalve een goede leerling ook een goede sporter bleef, was des te opmerkelijker omdat hij nog altijd worstelde met zijn gezondheid. Net als zijn moeder en grootmoeder had hij hartproblemen, die geregeld tot een crisis leidde. In die tijd behielp men zich met volksmiddeltjes, maar veel baat brachten die niet. Pas na de tweede wereldoorlog werd zijn kwaal gediagnosticeerd als een vorm van supraventriculaire tachycardie, waarbij hartritmestoornissen optreden. De psychische spanning die de vele veranderingen bij de intelligente en gevoelige, veel van zichzelf eisende jonge Van Brussel zullen hebben veroorzaakt, de ziekenhuisopname van zijn ouders en het verblijf in een weeshuis, zullen juist zo'n hartziekte beÔnvloeden, waardoor hij er in moeilijke perioden meer last van kreeg. In die tijd ging men na de zesde klas lagere school naar de middelbare school of men bleef nog twee jaren op de lagere school, om daarna te gaan werken. Dat laatste dreigde voor Van Brussel, omdat zijn ouders het financieel niet konden opbrengen hem naar de middelbare school te laten gaan. Het moet voor de intelligente en leergierige Gust een schrikbeeld zijn geweest, dat veel opgekropte woede en machteloosheid moet hebben opgeroepen. Het zal er aan hebben bijgedragen dat in het zevende jaar van de lagere school zijn hartcrissessen zodanig toenamen dat hij vele lessen miste. Er tekende zich voor Gust van Brussel een toekomst af, die hij zich niet wenste. Een toekomst als arbeider, zonder verdere opleiding. Zo'n toekomst zou zijn binding met het woord niet hebben veranderd en zou zijn toekomst als schrijver niet in de weg hebben gestaan, net zo min als de arbeidersjeugd van bijvoorbeeld Maurits Dekker diens succesvolle schrijverschap heeft verhinderd. Maar Van Brussel was een ander mens en een ander soort schrijver, en hoe het verder voor hem zou zijn uitgepakt, is natuurlijk onzeker. Misschien was hij wel een veel beroemdere schrijver geworden dan nu het geval is. Of misschien was het schrijverschap toch in de kiem gesmoord. Dat was blijkbaar een risico dat het Lot niet wilde lopen, want in 1938, toen Van Brussel in het begin van de achtste klas zat, kreeg het gezin een erfenis en was er opeens veel meer mogelijk: het gezin verhuisde naar Edegem, een voorstad van Antwerpen, en Gust en zijn broer konden toch nog verder leren. Maar deze gunstige ontwikkeling kreeg een onvoorziene schaduwzijde. Van Brussel werd samen met zijn broer Emiel naar het pensionaat van het Klein Seminarie van Hoogstraten gestuurd, de "Pastoorkesfabriek". De overgang van de avontuurlijke vrijheid in De Luchtbal en de opsluiting in een somber pensionaat was Van Brussel te veel en al na enkele dagen ontsnapte hij, samen met zijn broer. Hij mocht niet terug en werd in een pensionaat in Berchem geplaatst, het Sint Stanislas College. En toen speelde zijn gezondheid hem opnieuw parten: nu hield een longaandoening hem maandenlang in bed. Toen hij in september 1939 eindelijk op het college aan de slag kon, was hij een stuk ouder dan zijn klasgenoten, alweer het buitenbeentje. Zijn ontluikende schrijverschap trok ook hier de aandacht van zijn leraren. De leraar Nederlands gaf hem boeken van bijvoorbeeld Couperus te lezen en er ontstond een jarenlange vriendschap tussen hen. Zijn leraar Grieks, Xavier de Win, die het volledige werk van Plato in het Nederlands vertaalde, riep zijn hulp in bij het vertaalwerk, om nuanceringen van de vertaling op te zoeken ("het proeven van woorden"). Een activiteit die dus meer op het Nederlands was gericht dan op het Grieks. Gedurende die collegejaren schreef hij vele gedichten en verhalen, en zelfs toneelstukken. Net als op de Lagere School was hij de opstelkoning. Haast in navolging van zijn vader, die bij de oprichting van zo veel verenigingen betrokken was geweest, richtte hij in 1943 een Vlaamse Academie op, die door de schoolleiding werd verboden en daardoor clandestien opereerde. En daarnaast ging hij ook verder met sporten. Hij speelde in het voetbalteam van het College, was lid van de Beerschot Atletiek Club en werd in 1944 Belgisch juniorenkampioen op de 200 meter. Vanaf negen mei 1940 had de Tweede Wereldoorlog zich ook uitgebreid tot BelgiŽ. Iedere jongeling die boven de zestien was, moest zich aangeven, maar gelukkig was Van Brussel pas vijftien. Zijn vader, politie-inspecteur te Antwerpen, raadde hem aan zich koest te houden. "Heldendaden heb ik nooit uitgericht. Ik was een toeschouwer." Aldus het oordeel van Van Brussel zelf. Maar in die eerste dagen zag hij hoe de Fransen en Engelsen zich in hun straat verschansten en per abuis met elkaar in gevecht kwamen; hij zag vrachtwagens met doden en gewonden rijden, dode soldaten langs de weg liggen en uiteindelijk de Duitsers opmarcheren. Door het blijven van de koning en de regering was de bezetting in BelgiŽ wat minder nadrukkelijk dan in Nederland. Er was bijvoorbeeld geen Kultuurkamer, de politie bleef gewoon de politie etc. Vader Van Brussel bleef dan ook in functie. Hij wist daarmee niet alleen zijn gezin voor de ergste ontberingen te behoeden, maar ook anderen zoveel mogelijk te helpen: hij gaf een Joodse familie onderdak, verstopte een parachutist in een geheime kamer die hij had gemaakt. Tegen het eind van de oorlog, toen hij zich moest melden voor de arbeidsdienst in Duitsland, verstopte ook Van Brussel zich in dat kamertje. Hij werd opgepakt en weer vrijgelaten omdat hij op weg was naar een nationale sportwedstrijd. In 1943 werd Antwerpen door de geallieerden gebombardeerd, waarbij meer dan tweeduizend doden vielen, en Van Brussel hielp de dode kinderen op te graven. Dagelijks vlogen de V1 en V2 bommen over het huis. De jeugd werd naar een school in Torhout gestuurd om de bommen te ontvluchten, maar wegens zijn hartproblemen keerde Van Brussel al snel weer terug naar Antwerpen. Daar volgde hij lessen in de kelders van het Sint Lievenscollege, kreeg hij opnieuw gezondheidsproblemen, volgde een spoedcursus in het Sint Michielscollege. Wanneer Van Brussel over deze jaren vertelt, spreekt hij over het college, over de sport, over de literatuur en het schrijven. Pas wanneer je er expliciet naar vraagt, zal hij over de oorlog vertellen. "Wat wil je dat ik erover vertel?" Korte anekdotes, beginnend met de vraag "moet ik vertellen over…? Zo liep de oorlog maar verder in vrees, verdriet en schaarse vreugde." De bevrijding met de volkswoede was voor hem onthutsend en ontmoedigend. "Als je meisjes die je gekend hebt ingetoomd als paarden een kar ziet trekken met witte brigademensen en Amerikaanse soldaten… Zelfs liefde voor een Oostenrijkse soldaat kwam toen een buurmeisje en haar hele familie duur te staan. Ik ga niet verder. Het deprimeert me te erg." Nog altijd. "De droom van een nieuwe wereld stierf daar al voor hij begonnen was." Niet alleen in de Congresstraat draafden de zwarte paarden van dood indrukwekkend aan Van Brussel voorbij. Na de oorlog zocht het leven weer zijn normale gang. In 1945 werd Van Brussel toegelaten tot de universiteit van Gent, waar hij Germaanse Filologie studeerde, maar later ingeschreven bleek te zijn voor Rechten. Opnieuw richtte Van Brussel zich op zijn studie en het sporten. Maar in mei 1946 ging het mis, zoals het wel mis moest gaan. Met het oog op een belangrijke wedstrijd volgde van Brussel een zware training, ondanks een griep met hoge koorts. In de daarop volgende nacht werd hij getroffen door een infarct. Zo vlak na de oorlog waren er hartspecialisten noch goede medicijnen. De behandelende arts gaf hem nog hooguit een jaar te leven. Op voorstel van Van Brussel zelf werd hij in augustus 1946 bij een boerengezin in Beveren bij Oudenaarde geplaatst, in de hoop dat de buitenlucht hem goed zou doen. Een oom die kunstschilder was had daarbij bemiddeld en woonde daar vlak bij. Deze oom bracht hem in contact met andere schilders die daar in de buurt woonden. Eťn van hen was ook drukker en beloofde de eerste gedichtenbundel van Van Brussel te drukken, maar na een woordentwist gooide de man het manuscript in de kachel. Maar, en dat was veel belangrijker, een dokter hielp hem daar met concentratieoefeningen en een nieuwe medicatie over zijn hartcrisissen heen. Toen Van Brussel in 1946 terugkwam in Edegem was de studie definitief voorbij. Met hulp van zijn ouders begon hij een bloemkwekerij, in de veronderstelling dat het een niet zo zwaar beroep was. In dat jaar leerde hij ook zijn toekomstige vrouw Monique kennen, een Waalse uit Charleroi, met wie hij in 1948 trouwde. Aan het einde van dat jaar werd zijn eerste kind geboren, in de jaren daarna volgde er jaarlijks een nieuwe telg, tot het gezin twaalf kinderen rijk was. Ondanks de beslommeringen van een eigen bedrijf en een groeiend gezin bleef Van Brussel talloze gedichten en verhalen schrijven. Het schema van De visioenen van Jacques Weiniger ontstond in deze tijd, geÔnspireerd door een gelijknamige Joodse vriend. Het draaiende houden van een eigen bedrijf viel echter danig tegen. Het bleek hard en lang werken, tot het waken bij kachels in koude winternachten voor het overleven van het kweekgoed. In 1950 verkocht hij zijn bedrijf, leefde enige tijd van de opbrengst daarvan en vond in 1951 werk in Gistel bij Oostende als bediende bij een gas- en elektriciteitsbedrijf. Hij ervaarde het als een "verbanning", des te zwaarder omdat zijn toen nog Frans sprekende vrouw er niet kon wennen. In 1954 keerde hij terug naar Antwerpen, waar hij als boekhouder in dienst trad bij La Banque d'Anvers. Het bracht rust en vormde de vooravond van Van Brussels bestaan als publicerend auteur. Beeldende taal zat Van Brussel waarschijnlijk al in de genen, maar zijn persoonlijke geschiedenis geeft duidelijk weer dat het schrijven hem met de paplepel werd ingegoten. Al had hij wel degelijk de drang om te publiceren, al vanaf dat eerste schriftje dat hij op de lagere school volschreef, de drang om te schrijven was nog wezenlijker. Daarbij schreef hij voortdurend aan verschillende werken, afhankelijk van de drukke woelingen in zijn leven. Zijn opmerking in een interview enkele jaren later, dat zijn boeken "binnenuit" zijn geschreven, is dan ook volkomen geloofwaardig. "Ik beoordeel mijn onderwerpen niet. Ik onderga ze en tracht de lezer tot een oordeel te brengen… Ik vind dat een boek als opdracht heeft je als mens te vormen. Ik geloof echter niet dat mijn werk zo intellectualistisch is als in Vlaanderen wel eens wordt beweerd." Een stelling die vanuit de huidige, van informatie overvolle maatschappij alleen maar bevestigd wordt. Ook geeft zijn geschiedenis aan dat de thematiek van het onbereikbare Utopia, die in zijn eerste romans zo nadrukkelijk aanwezig was, een zeer persoonlijke was. Niet alleen het tijdsgewricht waarin hij opgroeide, de tijd van wereldschokkende veranderingen, van oorlogen en ideologieŽn, ademde die sfeer, ook in zijn persoonlijke wederwaardigheden dreigde steeds weer de verandering van een andere wereld, van de buitenwijk de Luchtbal, het weeshuis, het college. Een periode waarin van iedereen een sociaal engagement werd gevraagd. Het maakte Van Brussel een pessimistische realist, te intelligent om te geloven in al die "heilslarie", iemand die over alle instituten negatief was. En hij was ook pacifist, tegen het geweld van staat en kerk, want van geweld had hij meer dan genoeg gezien. Mede door zijn klassieke opleiding geloofde hij dat de geschiedenis zich steeds maar weer herhaalde, dat "iedere oorlog slechts de voorbereiding is op de volgende" en dat de derde wereldoorlog in de verloederde wereld elk moment kon uitbreken. Een opvatting die door de Koude Oorlog alleen maar werd versterkt.


deel 3...    deel 5...


© Uitgeverij De Graal 2008