| |
Hoofdstuk 2
De Geboorte en naar school
Prenataal wist ik het al. Laat me lachen. Prenataal wist ik niets, nul
komma nul van niets.
Prenataal wist ik van niets en ook veel later wist ik van niets, van
toeten of blazen. Heb ik ooit wel iets goed geweten?
De waarheid heeft haar rechten. Daarom een ander begin.
Alles begint en alles eindigt. Maar is beginnen niet het mooiste, het
spannendste, en, vaak ook, het moeilijkste (eindigen doet alles
vanzelf)?
Vertrekken zonder te weten waar je zult aankomen. Hoevelen gaan zo op
reis? Voor een doolhof staan en ondanks al je angsten, het is een zaak
van leven of dood, er toch ingaan. Wie doet het? De zwaarste opdracht
van je leven zonder aarzelen uitvoeren. Wie kan het?
Maar wie kan vertrekken, de doolhof ingaan, de opdracht uitvoeren,
behoort nog tot de gelukkigen, de uitverkorenen. Zij of hij kan kiezen
iets te doen of niet te doen, want beginnen is kiezen.
Sommige mensen, miljoenen mensen, ontelbare mensen, komen nooit aan
beginnen toe; voor een groot aantal van hen begint het leven zelfs niet
eens echt: de zuigelingen, baby's, kleuters, kinderen, al de
onschuldige slachtoffertjes van ondervoeding, ziekten, oorlog, sterven
voor ze de eerste echte stappen kunnen zetten; de anderen zijn te bang
of te lui of te dom om aan wat ook te beginnen. Leven die eigenlijk ook
wel?
Een mens heeft soms meer dan één leven, zodat je, als je zijn leven
wilt vertellen, je ook meer dan één begin nodig hebt. Welk begin moet
je dan kiezen? Is er een beter en mooier begin dan een geboorte? De
geboorte van een jongetje bijvoorbeeld. Is dat niet het echte begin,
het begin van alles?
In het jaar van de slang, in het zoveelste jaar van de tweede
wereldoorlog, Stalingrad ligt in het verschiet, wordt een jongetje
geboren.
Oorlogen of niet. Het leven gaat zijn eeuwige en eentonige gang, in
bed, in bad, overal en op alle plaatsen. Geboorte en dood. Maar er zijn
tijden dat de geboorten de dood niet kunnen bijhouden. En dat was zo'n
tijd, een vermaledijde tijd, maar een welkom jongetje. Dat hopen we,
tenminste.
Het is een dag zonder geschiedenis al begint op die dag de geschiedenis
van het jongetje.
Vaderlandse geschiedenis, gewijde geschiedenis, elke geschiedenis heeft
de pretentie heel belangrijk te zijn, maar de allerbelangrijkste
geschiedenis is je eigen geschiedenis. Maar hoeveel bladzijden schrijf
je er zelf van?
Dat probleem hield het jongetje niet bezig. Het ligt in een kinderwagen
en wordt door zijn moeder rond gereden. Van hier naar daar en van daar
naar ginder. Maar niet naar Stalingrad. En dat is maar goed ook. Wat
daar gebeurt gaat alle perken te buiten. In het goede en in het kwade.
Wie het nog niet zag aankomen, vallen nu ook de schellen van de ogen.
Stalingrad, een indrukwekkend en niet te negeren signaal dat het
Duizendjarige Rijk toch niet van deze tijd zal zijn. Een signaal dat
velen goed begrijpen en ze nog tijdig van kamp doet veranderen.
Black is black, zingen vele jaren later Los Bravos.
Wit is altijd schoon, schrijft Leo Pleysier.
Een man blikt terug op zijn prilste jeugd. Hij ziet niets. Hij heeft
geen herinneringen die zo ver teruggaan in zijn verleden. Dat verdriet
hem soms zeer, verschrikkelijk zeer. Is hij geen arm mens? Hij heeft
geen schatkamers waarin hij kan dwalen om sombere dagen op te
vrolijken, geen register dat hij kan openleggen om zijn beginnende
levensloop te overschouwen.
Waarom heeft hij geen herinneringen? Ontelbare keren heeft hij het zich
afgevraagd. Waarom is zijn prilste jeugd een zwart gat in zijn
geheugen? Was het zo'n sombere periode dat zijn geheugen het beter
oordeelde die gegevens niet op te slaan en ze daarom verdonkeremaande?
Maar loopt daarom niet steeds alles mis met hem? Is een man zonder
verleden ook geen man zonder toekomst?
De man is nog een jongetje.
Vader! Moeder! Waar blijven jullie toch? We gaan te laat komen! roept
het jongetje wanhopig. Het is op zijn paasbest gekleed en staat in de
deuropening, klaar om te vertrekken, naar de kerk te gaan waar het
feest van zijn eerste heilige communie zal worden gevierd. Het jongetje
trappelt van ongeduld want vader en moeder blijven weg - wat is er toch
aan de hand? - en zij zullen zeker te laat in de kerk komen en dan is
zijn feest bedorven, dan is het geen feest meer. Het jongetje kan niets
anders doen dan wachten tot zijn ouders opdagen.
De mis is al begonnen als het jongetje eindelijk in de kerk aankomt. De
communiekanten zitten in de ruimte tussen het altaar en de
communiebanken, met hun gezichten naar elkaar toe, de meisjes links en
de jongens rechts van het altaar. Voor telaatkomers is daar geen plaats
meer, die moeten worden gestraft. Het jongetje moet in de koorbank gaan
zitten, een eind achter de communiekanten. Het jongetje zit gedurende
heel de misviering alleen in die lange bank. Het heeft verdriet en
begrijpt niet waarom het die straf verdiend heeft. Het voelt zich
helemaal aan zijn lot overgelaten.
Van wat een mooie en onvergetelijke dag moest worden, herinnert hij
zich later alleen dat hij te laat in de kerk kwam, dat hij apart moest
gaan zitten, dat hij er niet bij hoorde.
Nog veel later vraagt hij zich af: Hoorde ik nooit ergens bij omdat ik
altijd te laat kwam? Of kwam ik altijd te laat omdat ik nooit ergens
echt bij hoorde?
Waarom kwamen wij toen te laat? Hij stelt zich de vraag en weet dat
alle antwoorden slechts gissingen zijn. Hadden vader en moeder ruzie
gemaakt? Waren ze het niet eens kunnen worden, over wat dan ook? Wou
vader gewoon moeder pesten door alles in het honderd te laten lopen?
Dat zou het wel zijn. Vader had er steeds een onverklaarbaar genoegen
in gevonden alles wat moeder mooi en goed vond, lelijk en slecht te
maken.
Ook de man heeft verdriet.
Slechte dagen gaan voorbij, ook voor het jongetje. Het speelt alweer.
Het speelt met de jongens en de meisjes uit de buurt. Hinkelen,
verstoppertje spelen, knikkeren, balletje pak. Onbekommerd geluk.
Het jongetje groeit op en wordt een jongen.
In die tijd, toen de kerken nog vol zaten en bij wijze van spreken volk
moesten weigeren, in die tijd liep er in de kerk een gendarme rond : de
Suisse. Die man droeg een soort carnavals kostuum met lange slippen en
op zijn hoofd prijkte een steek. Maar wat op ons, kinderen, de meeste
indruk maakte was wat hij in zijn hand droeg: een hellebaard, een lange
stok met een piek en een kapmes. En al zagen wij het hem nooit
gebruiken, het was een afschrikwekkend wapen.
Niets liever deden wij dan vooraan in de kerk gaan zitten, op de
stoelen met zittingen en armleuningen van fluwelen kussens, koperen
naambordjes, een rekje voor het missaal en een haakje voor de paraplu.
Heerlijk zitten was dat, heel wat anders dan op de stoelen met biezen
zittingen, die een afdruk als van een wasbord in je knieën nalieten.
Die fluwelen kussens zaten niet alleen zacht, zij veerden ook heerlijk.
Wij deden niets liever dan op die kussens wippen. Het plezier duurde
meestal niet lang. Als het chique madammeke of meneerke, de elite zeg
maar, wier naam op het koperen naambordje prijkte, besloten hadden ook
naar de mis te gaan en hun stoel bleek ingepalmd, dan kwam de Suisse,
die snoodaard, ons wegjagen. Die dames en heren mochten altijd te laat
komen, voor hen was er altijd een plaats gereserveerd. Niet achteraan,
maar vooraan in de kerk. Christus keek toe van op zijn kruis en zei
niets. Maar misschien dacht hij wel: wat doen die rijke zakken daar?
Laat de kinderen tot mij komen.
De jongen gaat naar school, niet meer naar de school van de Congoplein,
maar naar het Sint-Victor.
Een jongen gaat naar school. Hij loopt door de Diksmuidestraat. Alleen
het eerste stuk van die straat, tot aan de Harmoniestraat, is verhard,
daarna wordt het, al naargelang het weer, een enorme modderpoel waarin
het zeer moeilijk is een weg te vinden om geen natte voeten te krijgen,
of een verschrikkelijke zandwoestijn.
De achterkant van de remise, de werkplaats waar de trams worden
onderhouden en hersteld, komt uit tegen de Diksmuidestraat. Door een
netwerk van tramsporen is Turnhout verbonden met heel de omgeving en
veel wijder nog met heel de wereld. Al de trams komen aan en vertrekken
in het tramstation, waarvan de voorkant grenst aan de de Merodelei en
de achterkant dus aan de Diksmuidestraat, een straat waar nu een jongen
loopt op weg naar school. De ramen van de remise zijn onderaan en tot
in het midden wit geschilderd zodat je niet binnen kunt kijken. Maar
als je op een vensterdorpel gaat staan, wat de jongen af en toe wel
eens doet, kan je over het wit geschilderde gedeelte van het raam naar
binnen kijken. Het lijkt dan of je in een diepe put kijkt, maar veel is
er niet te zien: er staan tramstellen en er lopen mensen heen en weer.
Als een arbeider je opmerkt kan het gebeuren dat hij dreigend zijn
vuist omhoog steekt - of lijkt dat alleen maar een dreiging en is het
veeleer een vriendelijk bedoeld gebaar?- dan spring je maar vlug weer
op de begane grond, blij dat je een blik hebt kunnen werpen in een
andere en geheimzinnige wereld.
Een eindje verder dan de werkplaats heeft het tramstation ook een
uitgang, een grote poort, in de Diksmuidestraat. Hierdoor vertrekt af
en toe ook een tram langs de Bomen, zo wordt dat gedeelte van de
Harmoniestraat genoemd door de kinderen uit de buurt. En dat is niet
verwonderlijk: een houthandelaar heeft er aan een kant van de straat en
over heel de lengte ervan, tot tegen de Guldensporenlei, boomstammen
opgestapeld, in afwachting dat ze door een paard en een mallejan naar
de zagerij gesleept worden. Een vredig tafereel.
Dient het gezegd? De Bomen, ideaal speelterrein voor kinderen. Van de
ene stam op de andere springen, van hoge stapels naar lage, over heel
de lengte van een boomstam lopen. Oppassen er niet af te glijden. Kwak,
daar heeft hij het al zitten. En niet een klein beetje. De huid van
heel zijn rechterbil is weggeschaafd, ontelbare zenuwuiteinden liggen
bloot. Een zeer pijnlijke ontsmettingsoperatie volgt met zeer veel
tranen. Een ongeluk komt nooit alleen. De dag daarna vertrekt zijn klas
op schoolreis. Hij kan niet mee.
Door de Diksmuidestraat rijden wel eens enorme gedrochten op
rupsbanden. Het zijn kranen of laadschoppen die worden vervaardigd in
'den Atelfond', een constructiebedrijf in de Barreelstraat. Het lijken
wel voorhistorische monsters die daar komen aangedaverd. De jongen
maakt zich klein aan de kant van de weg om die kreunende gevaartes te
laten passeren.
Links en rechts van de Diksmuidestraat bevinden zich houtopslagplaatsen
van de firma Foresco. De stapelplaatsen zijn verbonden door smalsporen.
Op platte wagentjes ligt het hout hoog opgestapeld. Het is leuk om te
zien hoe die wagentjes over de sporen bollen, voortgeduwd door een
ijverige arbeider. Soms verliest een kar zijn lading als het hout te
hoog is opgestapeld. Eerst gaat de lading heel schuin hangen en dan is
al het te laat om nog in te kunnen grijpen: daar ligt het hout al. Dat
is niet zo leuk.
De poort van de zagerij staat wel eens open. De jongen blijft dan vol
verwondering staan. Hij kijkt naar die vreemde wereld en luistert naar
het snerpende gehuil van de machines die bomen tot planken zagen.
Waar de jongen altijd blijft staan om toe te kijken, dat is aan de hoek
van de Diksmuidestraat en de Barreelstraat. Daar ligt een draaischijf
voor de locomotieven. Dat is een grote, ronde put. In de put bevindt
zich een soort draaibare brug met een spoor erop dat aansluit op een
spoor van het treinstation. Een stoomlocomotief puft de brug op en
blijft dan staan. Aan de brug is aan elke kant een groot houten handvat
bevestigd. De machinist gaat aan de ene kant en de stoker aan de andere
kant tegen een handvat staan; zij duwen uit alle macht tegen het
handvat en proberen zo de draaischijf én de locomotief in beweging te
krijgen. Dat is hard labeur. Misschien zijn de wielen van de brug niet
goed gesmeerd of is het hele geval niet goed uitgebalanceerd en moeten
daarom de machinist en zijn stoker zo krochen. Maar langzaam aan komt
de brug toch in beweging en draait de locomotief om zijn eigen as,
zodat de voorkant weer richting Antwerpen wijst, waar hij heen moet.
Dat denkt de jongen tenminste. Kijk, dat vindt hij nu fantastisch: een
locomotief die eerst zo staat en even later helemaal in de andere
richting. Dat lijkt wel toverkunst.
De Diksmuidestraat komt uit op de Guldensporenlei. De jongen kijkt
recht op de ingang van het slachthuis. Maar daar heeft hij geen
belangstelling voor. Hij slaat rechtsaf. Daar rijdt de Hollandse
schuif, een hekken op wielen dat de straat afsluit als een trein
richting Holland stoomt of rangeermaneuvers uitvoert.
Hier staat rechts het seinhuisje, een gebouwtje vol geheimzinnigheid
gevuld met vreemde machinerieën. Als een trein wordt gemeld, begint de
seinwachter als een bezetene aan hefbomen te trekken en te sleuren en
zet daarmee onzichtbare dingen in beweging.
De jongen weet, alle jongens voor de schuif weten het, daar in dat
gebouwtje berust alle macht: die man stuurt de treinen waarheen hij
wil.

De Hollandse schuif met rechts de voetgangersbrug en op
de achtergrond de watertoren
Als de schuif gesloten is en er is nog weinig tijd over om tijdig in de
school aan te komen, dan lopen de jongens achter het seinhuisje naar de
ijzeren voetgangersbrug om over te steken. Er is nog een andere reden
om over de voetgangersbrug te gaan. Vooral dan als zij tijd zat hebben
en er een trein aankomt. Daar is ie! Daar is ie! Bwof, bwof, bwof,
stoomwolken ploffen de hemel in, botsen tegen de ijzeren vloer van de
brug en omhelzen haar als de tentakels van een reuzeninktvis, omhullen
haar en onttrekken haar aan het gezicht. In de wolken danst de jongen,
dansen alle jongens. Geweldig is dat. Al weet hij niet waarom.
Misschien doet hij het wel omdat de andere jongens het ook doen.
Een geliefkoosd spelletje is: wagons tellen. Heeft hij nu die wagon
geteld of niet? Terwijl hij daar nog over nadenkt zijn er alweer enkele
gepasseerd. Verrek! nu is hij de tel kwijt. Er passeren treinen waar
geen einde aan schijnt te komen. Zal hij verder tellen? Nee, de moeite
niet.
Hoeveel heb jij er geteld? Hoeveel jij? En jij? Met hoeveel jongens ze
ook voor de Hollandse schuif staan, met velen of enkele, nooit komen ze
op hetzelfde aantal wagons uit.
Rangeren is ook boeiend om te zien. Een trein komt aanrijden, de
locomotief braakt wolken stoom uit en stopt dan plotseling, gevolg: een
ontkoppelde wagon bolt alleen verder alsof hij door een reusachtig
kanon is weggeschoten en kiest een ander spoor. Hoe is dat nu mogelijk?
Dat die wagon alleen verder bolt? De jongen heeft nog nooit van de 'wet
van de inertie' gehoord. En pas veel later zal hij 'De trein der
traagheid' van Johan Daisne lezen.
Rangeren kan heel lang duren. Maar dat hindert bijna niemand. Auto's
zijn er nog zo goed als geen en de voetgangers die het schouwspel toch
maar een eentonige bedoening vinden, kunnen via de brug hun weg
vervolgen.
Nu loopt de jongen richting watertoren, naar de vijfhoek, een kruispunt
van vijf straten. Hij neemt de Warandestraat. Hij passeert het
hoofdkwartier van de rijkswacht op de hoek met de Wezenstraat, het
gasthuis, waar hij zijn amandelen zal laten trekken, en slaat dan
linksaf, de Broedersstraat in. Hij loopt nog steeds naast het gasthuis,
dat op een eiland ligt tussen vier straten: de Warande-, de Broeders-
en de Wezenstraat, en de Kasteeldreef. Het kasteel heerst rechts in
zijn slotgracht.
En daar, eindelijk, daar staat het Sint-Victorsinstituut. De
hoofdingang kijkt recht op de Broedersstraat, maar die wordt door de
leerlingen nooit gebruikt. Er zijn twee zij-ingangen, links en rechts
van de hoofdingang.
De jongen neemt de linkse zij-ingang, naast de kapel, en is daar waar
aan hem gewerkt zal worden, waar men hem zal proberen te kneden tot een
voorbeeldig Christus Koningskind.
De jongen zat niet alleen 's woensdags in de kapel (verplicht), ook
tijdens de kerkelijke hoogdagen en tijdens de jaarlijkse retraite. Dan
kwamen er altijd paters preken, donderpreken, over goed en kwaad, hemel
en hel, God en satan. Hij voelde zich dan altijd klein en benepen en
beladen met alle zonden van Israël. Hij was altijd opgelucht als het
voorbij was. Maar tegelijk was het ook wel spannend en meeslepend.
Sommige paters konden echt heel goed preken. Het was dan muisstil in de
kapel en de luisteraars golfden mee op de intonaties van zijn stem,
stegen ten hemel als hij God prees en daalden neer ter helle als hij
daar satan en zijn volgelingen deed belanden.
Waarom onthoud je sommige dingen en andere, misschien belangrijkere,
niet? Waarom onthield de jongen sommige preken en andere niet? Een
pater vertelde over Leonardo da Vinci die Het Laatste Avondmaal
schilderde. Da Vinci zocht modellen voor Christus en de apostelen. Voor
Christus vond hij een mooie jongeling die vroomheid en voornaamheid
uitstraalden, deugden die ook Christus sierden. Ook voor de apostelen
vond hij geschikte modellen, behalve voor Judas, de verrader van
Christus. Judas moest laagheid en verderf incarneren. Da Vinci vond
geen geschikt model en staakte het werk aan Het Laatste Avondmaal.
Later, veel later, zag Da Vinci op straat een verlopen bedelaar en hij
wist het meteen: dat is hem, dat is Judas. Die gemene tronie, alles aan
die man wekte weerzin op. En zo moest Judas eruitzien, als iemand die
onstuitbare weerzin opwekte, want de verrader van Christus kon geen
andere gevoelens oproepen. Het kostte Da Vinci weinig moeite om de
bedelaar te bewegen mee te gaan om te poseren: voor een aalmoes, voor
een slok alcohol deed die man alles. Da Vinci nam de bedelaar mee naar
zijn atelier en maakte alles klaar om aan het werk te kunnen gaan. Toen
de bedelaar het onvoltooide doek Het Laatste Avondmaal aanschouwde,
begon hij plotseling hartverscheurend te snikken. Da Vinci vroeg
natuurlijk aan de man waarom hij zo opeens in een niet te stuiten
huilbui losbarstte. De man wees met een bevende hand naar het
onvoltooide schilderij en snikte: die Christus, dat ben ik. Of, hoe
diep een mens kan vallen.
Dat moet verschrikkelijk erg geweest zijn, dacht de jongen, van
Christus verworden tot Judas. Hoe zou dat gekomen zijn? Wat moet die
man daarvoor allemaal uitgespookt hebben? Hij kon het zich niet
voorstellen. De jongen was nog de onschuld zelve.
Een andere pater preekte over een man die heel zijn leven in de
grootste zonde had geleefd en veroordeeld was tot de hel. Die man stapt
op zekere dag langs een kanaal en hoort een kind gillen. Hij kijkt om
zich heen en ziet nog net een kind wanhopig spartelend even boven water
komen waarna het naar de dieperik zinkt. Zonder aarzelen en zonder
nadenken springt de man het water in om het kind van een gewisse dood
te redden.. Hij slaagt erin om het kind vast te nemen en naar de kant
te brengen, waar toegesnelde mensen het kind uit het water vissen. De
man kon niet zwemmen en de geleverde inspanning had zoveel van zijn
krachten gevergd dat hij, nadat het kind was gered, volledig uitgeput
was en als een baksteen naar de bodem van het kanaal zonk. Voor de man
kwam alle hulp te laat. Hij gaf zijn leven voor een kind. Hij verscheen
voor het aanschijn van God en God sprak: wees welkom in het rijk der
hemelen, uw éne goede daad heeft alle slechte uitgewist.
Dat vond de jongen een prachtig verhaal. Hij was intussen al wat ouder
geworden en kende al enkele vruchten van de boom van goed en kwaad. Als
hij zou sterven, zou hij recht naar de hemel vliegen, maar hij dacht
dat hij in een poel der zonde leefde. Hij hoopte vurig ooit ook een
kind uit het water te mogen redden. Dat was voor hem de boodschap: wat
je ook doet, op een of andere manier komt alles tenslotte wel goed. En
dat was een hele geruststelling.
Na een retraite wilde de jongen altijd heilige worden, het geloof en
het geluk uitstralen als een zon, maar hij werd geen heilige.
Zelfs de jongen bevroedde dat heilige worden te hoog gegrepen was. Hij
wilde ook pater of broeder worden, andere mensen oneindig liefhebben,
maar hij werd het niet.
***
Door de linkse zij-ingang van het Sint-Victorsinstituut stapt een
jongen binnen, door de rechter zij-ingang verschijnt een mooie vrouw
met haar zoontje.
Kom jochie, zegt ze, wij maken de tocht die jouw vader maakte in
omgekeerde richting.
Links, jochie, het kasteel van de Hertogen van Brabant. Goddank, het
gebouw werd door de provincie aangekocht in 1908 of het was gesloopt
geweest. In het hanteren van de slopershamer zijn de vroede vaderen van
Turnhout steeds zeer bedreven geweest. En nog. Een passie laat zich
moeilijk verdringen. In alle steden en gemeenten hangt men op zoveel
mogelijk gebouwen bordjes 'Beschermd Monument', in Turnhout breekt men
ze af: Oud Stadhuis, Oud Gasthuis, Het Toreke, Hotel Grand Monarque,
Jezuïetenkerk, Kerkje van Zevendonk, enzovoort, enzovoort. Men heeft
zijn best gedaan om alles wat aan het verleden herinnert te doen
verdwijnen. Je bent vooruitstrevend of niet. Wij zullen ze nog
tegenkomen die gebouwen, nee, dat kan niet meer, jawel, alles kan.
Wij wenden onze blikken naar rechts en zien de Warande, het culturele
centrum van Turnhout. In een tijd dat men meer geld had dan visie en
fantasie, werden oude waardevolle gebouwen gesloopt om nieuwe in de
plaats op te trekken.
Je hoort je moeder niet beweren, mijn jongen, dat de Warande niet mooi
zou zijn, niet functioneel zou zijn, niet eender wat zou zijn. Je
moeder vindt het alleen maar spijtig, en dat zou je vader ook vinden,
dat een historisch gebouw dat uitermate geschikt was om als cultureel
centrum te fungeren, gesloopt moest worden.
Stel je voor: een ziekenhuis met talrijke grote en kleine zalen en met
een prachtige kapel. Laat daar je verbeelding eens op los om er wat van
te maken. Wat zou er niet uit de bus gekomen zijn? En het zou pakken
geld minder gekost hebben. Maar, zoals reeds gezegd, het was een tijd
waarin niet op een frank meer gekeken werd.
Moeder en zoon draaien naar rechts, de Warandestraat in. Recht
tegenover de Gemeentestraat blijven ze staan. Op die hoek daar, jongen,
stond vroeger een café, waar men van wijd en zijd naar toekwam. Scala
heette dat etablissement. Op een droevige dag is het in de fik gegaan
en jaren heeft het gebouw er zwartgeblakerd bijgestaan, tot het
afgebroken werd en er grote reclameborden verschenen. Nu staan er
moderne appartementen en op de hoek prijkt een torentje. Toch leuk, hé.
Zou dat het pendant zijn van het torentje van het 'huis van de arbeid',
dat honderd meter naar links staat op de hoek van de Warandestraat en
de Sint-Antoniusstraat?
Zij stappen verder. De rijkswacht is verhuisd. De gebouwen zijn niet
eens zo onaardig opgeknapt en worden nu bewoond door een dienst van het
gerecht.
Turnhout was eens een vooruitstrevende stad, mijn jongen. Het bewijs
daarvan zie je daar, op de hoek gevormd door de Warandestraat en de
Renier Sniedersstraat, de watertoren. Het is een wonder hoe goed dat
monument de tijd trotseert en overeind blijft staan.
Waarom was Turnhout een vooruitstrevende stad, mama?
Omdat het een van de eerste steden was met waterleiding, jochie, en dat
is toch iets om trots op te zijn. Eindelijk konden de inwoners zich
fatsoenlijk wassen.
Op de hoek van de Warandestraat en de Hannuitstraat, recht tegenover de
Stationstraat, blijven ze weer staan. Op die twee hoeken van de
Stationstraat stond vroeger een café: op de linkse hoek 'De
mosselschelp' en op de andere hoek 'café Central'. Beide cafés zijn
verdwenen. Er is een tijd geweest dat elke straat wel minstens een café
rijk was. De meeste zijn verdwenen. Zijn daar geen belangrijke
sociologische beschouwingen aan vast te knopen, aan het verdwijnen van
de cafés als toevluchtsoorden voor vermaak en ontspanning? Nu zit
iedereen voor het tv-scherm, venster op de wereld, en weet iedereen
veel over de wereld, alle dagen hetzelfde: geweld en verschrikking.
Maar over de eigen buurt weet de tv-kijker niets meer. Toen je vader
nog geen vader was, mijn jongen, maar een kerel van achttien negentien
jaar, deed hij regelmatig zijn cafétoer: hij vertrok op de Markt, en
dan volgden Warandestraat, Stationstraat, Spoorwegstraat,
Gierlesteenweg en weer terug. Had hij veel te verdrinken, jouw vader?
Hij dacht van wel. Jouw vader koos tijdens huiselijke twisten altijd de
kant van zijn moeder, jouw grootmoeder. En als het dan tussen vader en
moeder weer heel eventjes koek en ei was, kreeg hij altijd het deksel
op de neus. Waar bemoeide hij zich mee en wie dacht hij wel dat hij was
om zich aan te matigen zijn vader tegen te spreken? In je jeugd, mijn
lieve jongen, worden wonden in je ziel gekrast die nooit meer helen,
die altijd blijven schrijnen. Daarom probeerde jouw vader, jochie, een
betere vader voor jou te zijn dan dat zijn vader voor hem was. Dat was
eigenlijk niet zo'n moeilijke opgave, maar toch had hij dikwijls het
gevoel tekort te schieten en te mislukken. Dan dacht hij wel eens: wat
dacht mijn vader in een situatie als deze. Om raad vragen deed hij zijn
vader nooit. Maar geleidelijk aan ging hij wel iets milder oordelen
over zijn vader. En tegelijk was hij immens bedroefd omdat in zijn ogen
het leven van zijn vader en moeder zo totaal, maar dan ook totaal
mislukt leken. En dat was toch nergens voor nodig geweest.
Begrijp je er iets van, jongen? Niet veel, vrees ik. We zijn intussen
in de Renier Sniedersstraat en staan voor de Hollandse schuif, voor wat
eens de Hollandse schuif was, want het hekken op wielen is al lang
geleden vervangen door slagbomen. De mensen van de leeftijd van je
vader en ouderen blijven echter van de Hollandse schuif spreken,
evenals van de Lokeren schuif, waar tot voor enkele jaren nog een heuse
gaslantaarn stond.
Een mens kan zich aan de onmogelijkste toestanden aanpassen, maar eens
geleerde namen kan hij blijkbaar niet vergeten, ook al klopt de
naamgeving helemaal niet meer met de werkelijkheid. Is dat een vorm van
nostalgie? Of gewoon gemakzucht?
Het seinhuisje is verdwenen. De voetgangersbrug is verdwenen. Die brug
zou ook niet veel zin meer hebben. Stoomlocomotieven rijden hier al
lang niet meer voorbij en andere treinen al evenmin. Vroeger denderden
hier enorm lange treinen voorbij. Je vader en de andere kinderen telden
het aantal wagons en dat waren er zeer veel. Het waren goederentreinen
en die reden in lang vervlogen dagen naar Weelde-Statie, ooit het
grootste goederenstation van België. Want intussen is het afgeschaft en
afgebroken. Ook de rails die de hoop levendig hielden dat er ooit over
die sporen toch weer treinen zouden bollen tussen België en Nederland
zijn opgebroken. De oude spoorbedding is een fietspad geworden: het
Bels lijntje.
In tijden dat elke politicus de mond vol heeft over de herwaardering
van het openbaar vervoer, vind je moeder het toch nogal kras om een
spoorweg tussen twee steden, tussen twee hoofdsteden (Brussel -
Amsterdam) op te doeken.
Ooit hebben er plannen bestaan om Turnhout rechtstreeks met Antwerpen
door een spoorweg te verbinden, dus geen omweg meer over Lier. Het
tracé was getekend. Door de jaren heen werden de gronden van dat tracé
volgebouwd en een spoorlijn onmogelijk. Hoe is dat mogelijk?!
Je moeder daast maar door, hé jongen. Neem het haar niet kwalijk. Bij
haar borrelt veel omhoog.
Er rijden geen stoomlocomotieven meer en er is geen brug meer, dus kun
je ook niet meer in de opstomende rookwolken dansen. Dat vind je moeder
heel spijtig, want graag zou ze, zoals je vader vele jaren geleden, in
de rookwolken dansen en ervaren hoe dat voelt. Maar misschien zou het
niet betamen en wat zouden de mensen wel denken? Je moeder wordt toch
een beetje verdrietig: alles verdwijnt. Lijd je moeder aan vals
romantisme? Best mogelijk. Maar zij stelt zich toch de vraag: berooft
men de inwoners niet van een stuk van hun leven door onverantwoorde
kaalslag? Ben ik geen ontheemde in eigen stad? En mag dat zo maar?
Rechts ziet u de ingang van het oude slachthuis, want Turnhout had ooit
een nieuw slachthuis en nu heeft ze geen slachthuis meer.
We slaan hier linksaf de Diksmuidestraat in. Vroeger stonden hier een
paar loodsen, nu staat er een frituur. Het geklasseerde stadhuis op de
Markt werd afgebroken omdat het voor het verkeer in de weg stond, de
frituur ernaast mocht blijven staan en bleef staan tot de eigenaars er
zelf de brui aan gaven. Alle frietkramen zijn intussen uit het
straatbeeld verdwenen.
De put waar men locomotieven keerde is verdwenen. Er is toch
vooruitgang geboekt: de straat is verhard. De Barreelstraat die vroeger
een grote bocht maakte werd rechtgetrokken. Voorhistorische monsters
daveren niet meer door de Diksmuidestraat. De Atelfond en de Foresco
bestaan nog steeds. De hoge schoorsteen en de gebouwen er rond zijn
verdwenen. De smalsporen voor het houttransport zijn verdwenen. Nu
maken heftrucks de weg onveilig. Het hout ligt hier in grote
hoeveelheden opgestapeld. Na een fikse regenbui geurt het hout
doordringend, het ruikt als naar dennenbossen op hete zomerdagen. Een
zwoele geur die je hart sneller doet slaan van verlangen naar
onmogelijke dingen en onvervulbare dromen. Je bent jong en de hele
wereld ligt voor je open. De ontgoochelingen en de desillusies komen
later. En ook dan blijft het leven misschien de moeite waard. Milder en
wijzer geworden.
In die dennenbossen ergens op een eenzaam en geurig plekje lag een
jonge man, en naast hem lag een jonge vrouw: Mottepee. De jonge man was
vol verlangen. En ook vol angst.
Verlangen naar Mottepee en angst voor zijn vader, dat hij Mottepee zou
onthullen wat voor verdorven vent hij wel was, die schone meneer. Hij
achtte zijn vader daar zeer goed toe in staat en die gedachte alleen al
verlamde al zijn voornemens. Hij vreesde dan de liefde van Mottepee
voorgoed te verliezen. Soms was hij echt liever dood dan levend.
De zagerij is ook verdwenen. Of eigenlijk niet. Er staat nu een nieuwe
grote hal waarin gezaagd wordt. Hoor je de zagen zinderen?
En hier, mijn jongen, reed vroeger een tram. De tram kwam uit dat
gebouw; de poort waardoor de tram reed is dichtgemetseld. De tram reed
door het gebied waar nu de tuinen zijn van de nieuwe, intussen ook al
oude, huizen van de Harmoniestraat. Daar lagen vroeger ook bomen en
daarom noemden alle jongens uit de buurt de straat hier de Bomen. Vroeg
moeder: waar ga je naar toe? Antwoord: naar de bomen. Dan wist moeder
waar haar bengel zat.
Aan het einde van de Bomen draaide de tram naar links en reed de Nieuwe
Kaai op, Brug 2 over en weer naar links om langs het kanaal verder te
rijden. Waarheen? Dat wist je vader niet, maar het moest een verre en
geheimzinnige bestemming zijn. Het liefste wat je vader en de kinderen
toen deden, was aan de laatste wagon gaan hangen of op een treeplank
gaan staan en zo meerijden tot over de brug.
Zijn horizon was zo beperkt dat voorbij de brug, wat in vogelvlucht
geen kilometer van zijn voordeur was, de onbekende wereld lag. Alles
wachtte daar nog op ontdekking.
Alles wordt herinnering en de ene herinnering volgt de andere op. Over
zoveel jaren denken we aan vandaag als aan toen. Zo schuiven we steeds
verder op in de tijd en krijgt wat achter ons ligt de allure van een
sprookje: er was eens… en toen…, maar de werkelijkheid was meestal veel
rauwer en helemaal niet sprookjesachtig. Integendeel!
Nooit is je vader met de tram tot het einde meegereden. Voorbij de brug
sprongen hij en de andere belhamels er af. Als ze daar bleven hangen
was het om fluitjeshout te snijden om proppenschieters van te maken.
Dat hout groeide onderaan de berm van het kanaal en het was voor hem
een hele karwei die berm weer op te klauteren.
De bomen zijn verdwenen, de tram is verdwenen. Alles verdwijnt
langzaam. Langzaam maar zeker. En de wereld wordt onherkenbaar.
Kinderen groeien op in een andere wereld dan hun ouders en daardoor
verdwijnt een communicatiekanaal en het gevoel samen ergens thuis te
horen.
Nu staan we op de hoek van de Harmoniestraat en de Diksmuidestraat. Van
de lage huisjes van vroeger in de Diksmuidestraat schieten er bijna
geen meer over; ze zijn allemaal veranderd en de meeste hebben een
verdieping gekregen.
Als je vroeger het eerste huisje in de Diksmuidestraat binnenstapte,
kon je er het laatste huisje, hier op de hoek, weer uitkomen. Hoe kon
dat? Heel simpel: de binnenplaatsen hadden geen scheidingsmuren, langs
achter kon je gewoon overal in elk huis binnenstappen.
Zouden er nu scheidingsmuren zijn? Heeft iedere bewoner zich ook hier
op zijn eiland teruggetrokken?
De ramen van de remise zijn dichtgemetseld. Het heeft geen zin meer om
nog op de raamdorpel te gaan staan.
Ben je nog niet moe, mijn dappere jongen? We zijn bijna aan het einde
van deze tocht en dan kun je rusten. Dat wil je moeder trouwens ook. En
zij wil ook een beetje bekomen van de emoties, maar dat begrijp jij nog
niet.

Het zal nooit meer zijn en ook nooit meer worden wat het
was: een pleintje om te spelen en waar de kinderen gelukkig waren.
Hier zijn we dan aan het eindpunt van vandaag, mijn jongen. We staan op
de hoek van de Congoplein en de Karel Oomsstraat, waar vroeger een
viswinkel was. We kijken over de Congoplein en zien een groot gebouw in
rode baksteen, met een plat dak en daaronder tegen de gevel in enorme
zwarte letters: Stedelijke Jongensschool Prinsenstraat. Ik vergis me:
dat opschrift is verdwenen, je ziet er hoogstens nog een schaduw van.
Eens stroomde daar de jeugd toe. Er bleven leerlingen toestromen en de
school werd te klein. De conciërgewoning en de oudste klaslokalen
werden afgebroken. Het kon niet anders: ook de tuin met zijn bloemen en
fruitbomen moest er aan geloven. In de plaats verrees een gebouw met
nieuwe klaslokalen, een turnzaal met douches, een refter, een kantoor
voor de directeur.
De bewoners van de conciërgewoning moesten verhuizen. In afwachting dat
de nieuwe woning in de Prinsenstraat af zou zijn, mochten zij wonen in
het Toreke op de Markt.
De jeugd bleef niet toestromen. Eerst stonden er een paar klaslokalen
leeg, toen zes en nu staan ze allemaal leeg. Geen school meer, geen
opschrift meer. De gebouwen zijn uitermate geschikt om alle verloren
illusies en onvervulde dromen in op te bergen.
Kom, we steken over. Dit plein was vroeger de speelplaats van alle
kinderen uit de buurt. Je vader speelde met de knikkers, voetbalde en
hinkelde. Hij was een kind en hij leefde helemaal. Was hij ook
gelukkig? Ik denk het wel. Heel gelukkig zelfs.
Boterhammen met pure choco van De Friesche Vlag. Dat was een
onovertroffen lekkernij. Later ging hij tevergeefs op zoek naar die
choco, want zoals die choco smaakte, daar kon geen enkele andere choco
aan tippen. Ging hij misschien ook op zoek naar het geluk van toen en
hoopte hij dat in de smaak van die choco weer te vinden? Maar die choco
bleek onvindbaar, van de aardbodem verdwenen, zoals zoveel uit zijn
jeugd verdwenen was. De boeken van Puk en Muk. Forten bouwen op de
tafel. Cowboy en indiaan spelen. Sinterklaas die kwam. Bange en
spannende dagen en uren. Wat zal hij brengen? De opluchting als hij
toch zijn schoentje gevuld vond.
In de zomer de tuin met appelbomen voor de deur, de was die op de blijk
te zonnen lag. In de winter de warmte van de Leuvense stoof, de pot
roodgloeiend en iedereen eromheen met de voeten op het blinkende
voetstuk. Er werd niets gezegd. Iedereen staarde naar de gloeiende pot
en liet de warmte op zich inwerken. Naar bed met een in doek gewonden
baksteen of strijkijzer, die eerst op de kookplaat van de stoof hadden
gelegen om goed warm te worden. Die warmtebron werd tussen de lakens
aan het voeteneinde van het bed gedeponeerd.
Op de slaapkamer stonden twee tweepersoonsbedden, een hoog en een laag.
Niets was plezanter dan van het hoge in het lage bed te springen. Na
verloop van tijd was door al dat springen het metalen geraamte van het
lage bed zo ver doorgebogen dat het bij iedere sprong de vloer raakte,
het gaf telkens een harde bons. En dat was nog plezanter. Springen,
BONS, het lage bed uit en snel het hoge in, springen, BONS… BONS… BONS…
Dat bleef duren tot vader als een razende binnenstormde en brulde dat
het gedaan moest zijn: En dat ik niks meer hoor, nondedju! De kinderen
vlogen tussen de lakens en vertrokken naar dromenland.
De volmaakte ongereptheid van een onbedorven kindergemoed, onschuld in
het kwadraat. Of doolden toen ook al de spoken van de waanzin rond in
zijn hoofd? Spoken die hem later nooit meer rust zouden gunnen.
Ja, hij was echt gelukkig toen. Is dat niet voldoende reden om je
ouders voor altijd dankbaar te blijven. De jonge vrouw vraagt het zich
af. Zij weet het niet. Is er niet meer nodig om je ouders in oprechte
vreugde te eren? Zij is er wel zeker van en zij zal haar kind in die
overtuiging opvoeden.
Zij kijkt rond. Het pleintje is opnieuw aangelegd en later nog eens;
het oogt mooi met zijn bomen en struiken. Waar de plannenmakers stenen
woestijnen cre ëren, zorgen ze ook altijd voor wat groen (in grote
bloempotten) om kleur in het grijs te brengen en het leed van de
verloren ruimte te verzachten. Maar het blijft in de eerste plaats een
parkeerterrein. Auto's nemen de plaats in van kinderen. Dode materie in
de plaats van leven. Niet alleen hier. Overal. Ongemerkt, doch langzaam
maar zeker, werd de wereld harder en onleefbaarder. Kinderen zullen
hier geen kuiltjes meer graven om te knikkeren, hun gelach en geroep
zal niet meer door de muur weerkaatst worden tijdens een balspel. Het
zal nooit meer zijn en ook nooit meer worden wat het was: een pleintje
om te spelen en waar de kinderen gelukkig waren.
De jonge vrouw zucht. Zij tilt haar jochie op en stapt ermee weg. Zij
denkt:
- Vrij van alle angst moet je worden, want wie bang is doet nooit iets
goeds.
- Een Opperwezen zal op je toezien. Zonder de drang naar een hoger
streven blijft de mens, ondanks al zijn kennis en kunde, een nietige
aardworm.
- Tot een goede zeeman zal ik je opleiden, opdat je steeds de juiste
koers zult varen en alle stormen zult trotseren.
- Tot een waardige bergbeklimmer zal ik je vormen, opdat je de hoogste
toppen zult veroveren.
Gemakkelijk zal dat allemaal niet gaan, mijn kleine jongen, want er
loopt geen banger wezen rond dan de mens die je nu aan haar hart drukt.
Soms heb ik moeite om in een God te geloven.
Meer dan eens ben ik van de rechte koers afgedwaald.
Nog steeds ben ik mijn hoogtevrees niet volledig meester.
Waar begin ik dus aan?
Maar ik zal mijn best doen, jochie, mijn uiterste best, opdat, als de
tijd daarvoor gekomen is jij de juiste beslissing zult nemen, de énige
juiste beslissing.
Hoofdstuk
3 Klimmen
|
|