|
EERSTE HOOFDSTUK
Er zat een stijve bries. Zo noemen ze dat in de zeemanstaal aan de
jachthaven. Vroeger was dat een oord waar uitsluitende rijke boggers
kwamen, mensen met poen, die zich een boot konden permitteren.
Daar ziet ge nog de relikwieën van de sjieke chalet van de jachthaven.
Want de Antwerpse jachthaven heeft haar helden, die als een baron de
Gerlache vroeger alle zeeën bevaren hebben, tot in het ijs van Nova
Zembla toe. Dat was de tijd van de aristocratie, van de zeemanskunst
grote klasse. Als ge alleen maar met een kromme rug aan een paar
roeispanen kon trekken, had ge niet de minste kans om er binnen te
geraken.
Ge waart daar vroeger trouwens niet zo graag gezien als ge niet tot de
clan behoorde.
Nu is dat ondertussen veel democratischer geworden. Hoewel er toch een
elite van waternoblesse gebleven is. Als ge ze mocht geloven zijn die
met hun dure zeilboten, zelfs met zware wind,
tot in't Kattegat geraakt. 't zal wel meer Sluis zijn geweest, maar kom
ge moet die mensen maar hunne stoef gunnen.
De top van de zeemanskunde werd natuurlijk gevormd door de allerlaatste
kapiteins, die nog rond Kaap Hoorn gevaren hadden met een zeilboot. De
Cape Horners, die van orkanen en ijsbergen nogal wat meer wisten dan
een sjamfoeter, die het over een straffe storm had met baren van zo
hoog! Maar de Cape Horners, dat waren nog eens mannen met baarden
geweest! Voor zo'n kastaars waart ge toch maar een triestige Tist als
ge niet tussen donder en bliksem over huizenhoge golven had gevaren.
Met zo'n zeebonken moest ge 't minstens over windkracht 12 hebben, of
ge mocht niet meespreken. Van de top van een tsunami naar de diepten
waar alleen bathyscafen durven
komen, naar beneden duiken, dat was weinig zeebonken gegeven. Meestal
hadden ze het in die heldenverhalen over een onverschrokken kapitein,
die ze vroeger gekend hadden, want van die hele echte, schoten ze niet
veel meer over.
Tenzij in tehuizen voor bejaarde zeemannen.. |
De
laatste bladzijde
Zo vergaat het leven en kiest het zijn weg voor ons. Gelijk de windroos
draait. Nu eens naar de liefde, soms naar het verdriet. Soms met veel
tranen soms zelfs met een lach. Wie die windroos doet draaien weet geen
mens. Ook een schrijver, die naar de mensen luistert, zal het nooit
weten. Noch voor de mensen die hij rondom zich bezig ziet en zelfs noch
het minst van al voor zichzelf.
Ondertussen stroomt de Schelde onverdroten doos ons platte land In de
schaduw van de kathedraal met zijn lichtgrijze reuzengestalte, met zijn
gonzende Grote Markt. Met aan de ene kant het stemmig eilandje en aan
de andere kant Sint-Anneke en de nieuwstad, boort zij zich een weg
langs sluizen en terminals, wipbruggen en kanaaldokken, stapelhuizen,
torens containers, kranen en laadbruggen, langs de tientallen
havenbedrijven, die de Antwerpenaar uit de slijkgrond heeft gestampt om
miljoenen mensen in de wereld te dienen. Langs mastodonten als Bayer,
Degussa, Monsanto en Solvay, de raffinaderijen, Air Liquide en
Electrabel, tot verder dan het oog van een mens kan zien. Tot ginder
ver de Schelde ons ontsnapt en stilaan zee zal worden en daarna oceaan,
waar de witte, de zwarte en de rode boten met hun thuisvlaggen op varen
van overal ter wereld, om op een schone dag hun boeg te wenden naar het
aloude Steen, dat nog Romeinen en Noormannen gekende heeft. Spaanse,
Oostenrijkse, Franse, Hollandse en Duitse bezetters gehad heeft, maar
dat uiteindelijk de geest van Antwerpen van vandaag bleef. Met het
eerste tij zullen de zeereuzen de haven binnengeloodst worden langs de
nieuwe dokken. Beladen met miljoenen containers. Met alles wat een mens
nodig heeft om te leven.
Spijtig is het dat ik nu moet ophouden met over mijn Sus, de Sus van
Antwerpen te schrijven. Ik heb het in dank gedaan voor de
Stad waarin in ben groot gebracht. Vele boeken heb ik
geschreven en niet altijd de gemakkelijkste, maar geeneen heb ik met
grotere liefde geschreven over een mens zonder auto en internet die
hier toch een gelukkige levensweg ging. Och, ik wilde dat
alle mensen van 't stad zouden inzien hoe groot Antwerpen kan zijn.
EINDE.
|