|
EERSTE HOOFDSTUK
De mist was ergens aan Austruweel gaan aandikken als botermelk.
Zowel in hele Land van Waas waar de mensen gewoon zijn aan natte voeten
en waar er hier en daar nog een oude boeremens met een warme baksteen
in zijn bed kruipt
om zijn tenen te warmen, zowel als in Sinjorenstad hadden ze de laatste
dagen
van september serieus prijs. De vlaggendraperie van het stadhuis was
een triestige
expositie van opneemvodden en ge moest pieren om Brabo te zien staan in
zijn groene flikker.
Het volk kwam zijn huis niet uit dan om zich met natte sjaals en hoge
kragen in een tram
naar het werk te wringen, want het leven ging verder in de havenstad.
Ja, het leven loopt gelijk de Schelde waar het niet gaan kan. De Sus
wist met zijn alteratie
gene blijf sinds Elodie, zijn schoonzuster, die bij Rik Centiemen, die
rijke oude marktkramer
inwoonde, hem over haar grote plannen had gesproken.
Moest ge haar geloven dan zou hij met een schuifaf met zijn gat in de
boter terechtkomen.
Rik Centiemen had sinds het zware accident van zijn vrouw, een serieuze
klop gekregen.
Wie er ooit gedacht had dat Rik Centiemen honderd jaar zou worden had
het verkeerd voor.
Die mens was ineens tien jaar ouder geworden, omdat hij het niet kon
verwerken lijk een donderslag bij heldere hemel, een blinde en invalide
vrouw bij hem terug thuis besteld te krijgen.
Elodie zorgde voor die sukkelaar, maar zoals zij was, deed ze dat niet
voor zijn schoon ogen.
Zij kon die ouwe Rik makkelijk naar zijn hand zetten en hij van zijn
kant, was gelukkig
dat er iemand de boel in handen nam. |
De
laatste bladzijde
Dit is uwe wereld en daar kan ik heel goed bij, zei Sus.
Maaer er is een andere wereld aan't komen waar ik niet zo goed bij kan.
Er gaat iedere dag veel verloren Melanie. Veel van wat voor ons de
moeite weerd was. Weette kind, we zullen er voor zorgen dat we samen
naar die Eurosail
kunnen gaan, want dan ligt 't Scheld vol met boten die van overal en
van veel vroeger
komen. Dan komen de zeilboten die nog om de Kaap hebben gevaren, en die
met wielen die op de Amerikaanse rivieren veerden. Ge kunt niet geloven
hoe diep dat in uw lijf zit die schoon dingen van vroeger terug te
zien.
Aan ieder schip zit een vertelselke vast en als die boten dan aan hun
parade
beginnen, dan voelt ge u een echte Antwerpenaar, want in iedere Sinjoor
veert
er een zeilboot naar ik weet nie waar.
Zo zaten ze daar een hele tijd. En even lang stond die lange staak,
stik
gelijk die onmenselijke schone kathedraal, naar 't Scheld te kijken.
Toen ze opstonden om terug naar de overkant te gaan en die altijd maar
voorstromende
droom die de Schelde is, moesten achterlaten, keek die lange mens
efkens naar hen om.
Het was precies uit een andere wereld.
Hij knikte toen ze hun fiets opnamen om door te rijden en Sus zag dat
hij naar de kinderschoentjes keek die aan zijn stuur bengelden.
- Dat zal hij wel niet verstaan, dacht Sus, maar ik kan hem dat
allemaal niet uitleggen.
-Kom Max! We zijn ermee weg.
Ze lieten de Schelde met haar zilveren maankrulletjes achter zich en
helemaal alleen bleef
die donkere mens daar staan. Waarom ? Wie zal het zeggen.
EINDE.
|