|
EERSTE
HOOFDSTUK
De
Vlaamse zomers gingen voorbij zoals dat meestal gebeurde, half
verzopen in de kletsende regen waaraan geen einde kwam of half gebakken
in een gloeiende zon. De mensen van 't stad zoals die van Antwerpen
zichzelf noemen, trokken zogauw ze een dag vakantie hadden naar de
Noordzeekust om er de verse garnaal van Zeebrugge te eten, scharrekes
van Nieuwpoort of mosselen uit Ierzeke. Die een mond Frans konden
klappen, al was het keskejevoe, reden naar de Ardennen om er rauwe hesp
van de streek met omeletten of vers geplukte paddestoelen naar binnen
te werken Als zij met vrienden kaarters bij het manillen een pot hadden
gespaard, dienden die centen om bij de Walen hun buikske eens goed rond
te eten op een gastro-nomisch weekend met zes gangen. Daar hielden ze
dan dagen aan een stuk koppijn en een overladen maag aan over waar
aspirine en maagzout goed voor waren. Als ze met een serieus stuk in
hunne frak terugkwamen, dan trokken de feestvierders met schele ogen
naar de doktoor om een briefke om een paar dagen uit te blazen, van hem
los te krijgen. Daar hoorde natuurlijk wel wat smoelentrekkerij bij die
de meeste doktoors rap begrepen. Zogauw ze hun betaald verlof hadden
getrokken, vlogen ze in charters zover de portemonnaie het toeliet om
er in de goddelijkste vakantieoorden uit hun reiscatalogen, hun
verlofgeld tot de laatste cent op te doen. Veel was niet genoeg! De
tijd van arm Vlaanderen was iets van overgrootvader. Er reden geen
beestenwagens meer naar de koolputten van de Borinage gelijk jaren
geleden en het kappen van de bieten in Frankrijk aan een hongerloon
dateerde uit de oude tijd van voor de laatste Wereldoorlog. Het was
allemaal veel plezanter geworden in 't stad van Brabo. Wie nog geen
foto's had gemaakt van het Alhambra in Granada, van Antalya in Turkije
of van de Sfinks van Egypte was maar een grote sukkelaar. Er leefden
ondanks de welvaart toch nog heel wat mensen in Antwerpen die nooit
meer hadden gezien in hun leven aan rariteiten dan de
Lievekeshoektunnel. |
De
laatste bladzijde
huis voeren
paar dagen rijkevorsel blijven
totdat vrouw teruggebracht zal
hart allez wie zegde hoek
heel erg rik centiemen grond
hele goeie mens .maar weet
dochter kan handje toesteken
marilou elodie niks gezegd
als gedaan hebben eten zou
ik geren u allemaal
linkeroever willen gaan geraakte
stilaan positieven auto's we
zullen geraken zaten twee
banken groot anker grote
hemelkoepel fijne te ondergaan
alleman tot rust heeft
altijd gebracht op wereld al
wat hoofd krijgt stillekesaan
witte kleur overkant glommen
sierlijke toren kathedraal stond
fraai beschenen met gele
lichten overal zaagt silhouetten
kerken boerentoren andere hoge
gebouwen tussen hen lag
zwart glinsterend hoorden slokken
water frisse wind opzetten
windstoot uw gezicht gelukkige
plooi trekt verdriet ervan
afveegt kwam glans maanlicht
log gevaarte verte nadergeschoven
lichaam gezien gedurende bestaan
nooit kloeg zoveel meegemaakt
had toch zodanig sterk
zichzelf ieder tempeest iedere
catastrofe volgende morgen reinste
zonlicht brabo fosfoorgroen deed
opvlammen eigengereide antwerpen
oevers haar schone glimlach
was bladstil bij alleen
trompte nu en dan donkere
die naderschoof over schelde
staarde uit iets geest bleef
ankeren dat ondanks zweem
geluk in zijn ogen bracht
winter wordt een kinneke
geboren sus stillekes melanie
drukte zich dicht tegen hem
aan alles komt weer goed
pa zei margriet ge zult
het wel zien - 't
is er ene voor hessennatie
stelde zilveren vast ze
keken boot na alsof hij
wensen verder droeg naar de
kade van hun stad.
E I N D E
|