|
EERSTE HOOFDSTUK
Ze stonden voor de Buildrager.
Naast het stadhuis. Wijdbeens zoals het mannen past. In
één van de laatste avondzonnen van een warme
zomer. Ge hebt in Antwerpen warme zomers met een zon als een kermis en
kwakkelzomers lekkend van de regen. Deze keer was de zomer bijzonder
aangenaam geweest.
En die dag was het feestelijk weer. Aan alle ramen van het stadhuis
hingen vlaggen te wimpelen. Een mannekensblad van kleuren. Een klad
duiven cirkelde met het avondlicht in de veren rond de Grote Markt
alsof ze een zesdaagse aan het rijden waren.
- Kijk, Lowieke, zei Sus en hij wees naar de kop van de Buildrager, -nu
ge morgen naar het college gaat voor de eerste keer van uw leven, moet
ge op alles leren letten. Ge moet leren observeren. Er is uit al wat er
rondom u te zien is een wetenschap te trekken. We hebben voor dat
schone beeld van Brabo gestaan en nu staan we voor de Buildrager. Aan
de ene kant van het stadhuis hebt ge Brabo die niet wilde dat ze een
hand naar onze stad uitstaken. Aan de andere kant staat de Buildrager
die zijn handen gebruikte om de haven van onze stad groot te maken. Sus
hief zijn massieve kop naar de hemel. Lowieke zag onder zijn kin de
zwarte haren van zijn ringbaardje.
- Ik weet echt niet of het goed is dat ge Latijn gaat studeren. Een
taal die al zo lang dood is. Terwijl die van ons zo springlevend is als
de palingen op de Vismarkt. Ons Vlaams moet voor geen een andere
onderdoen en het Antwerps is het schoonste Vlaams. Dat komt omdat ge in
ons Antwerps alles kunt zeggen. Uw miserie en uw geluk. Ge kunt er in
vloeken en feliciteren. Iets uitleggen of uw gevoelens laten zien.
Probeert dat maar in het Latijn. Daar denk ik het mijne over. Nu moet
het van de vreemde komen. Ge moet ze maar eens bezig horen in de
televisie! 't Is precies of ze op een zondagmorgen op de Vogelenmarkt
tussen een bus Hollanders staan. Dat die Hollanders hun taal klappen
tot daartoe jongen. Het zou volgens mij veel beter zijn die Kezen 's
zondagsavonds ook de Meir en de Keyserlei te laten opkuisen. Als ze op
de Vogelenmarkt zijn geweest kunt ge het vuil niet overzien.
|
De
laatste bladzijde
Iedereen trok zijn gezicht in
de glimlach waarmee ge gasten ontvangt.
In de grond waren ze allemaal gelukkig. Ieder op zijn manier.
Zal dat geluk blijven duren? Wie weet het? Sommigen zeggen dat het
geluk op een klein plaatske ligt. Als dat waar is kan het geluk maar
een heel klein geluk zijn. Een nobbellewitje. Nee, het geluk is veel
groter. Voor ons Sinjoren, is het geluk gelijk de Schelde. Ze komt en
gaat en vindt toch altijd haar weg naar de zee. De regenvlagen kletsen
op haar neer, de storm gooit haar tegen de kade, de zon wiegt mee in
haar golven. Boten voeren vrachten koopwaar aan met de geuren van
vreemde landen en vertrekken weer naar de verten waar we van dromen. De
beiaardier ginder boven in de toren ziet ze het langst van alle
Antwerpenaren. Hij keert zich naar zijn schoon klokkenspel en timmert
DAN ZAL DE BEIAARD SPELEN de lucht in. Boven de koppen van de Sinjoren.
Al jarenlang hoort de Buildrager dat vrolijk lied en wacht op een brave
Sinjoor die zijn last wilt overnemen. Op dat moment zal Brabo eindelijk
de kwade hand van Antigoon de Romeinse bezetter over de Schelde gooien
tot in Sint Anneke. Toeristen of geen toeristen. Dan kunnen die twee
ook eens een pot gaan pakken in Den Engel.
E I N D E
5 €
|